ZO’N WIJK DUS
In de wijk waarin ik woon hebben kinderen namen als Merlijn en Elodie. We zijn een nette-mensen-wijk. Gegoed. Met een tikkeltje “cacque”. Weinig sportschoollijven. Weinig zonnebankbruine hoofden. Weinig Bijenkorf-goud. Weinig – althans zichtbare – tatoeages.
Onder de kastanjeboom organiseren we wijkborrels en straatfeesten, die we allemaal trouw bezoeken. Geven een professionele wijkkrant uit die we ook echt allemaal lezen. We groeten elkaar op straat. En verschuilen ons in onze huizen achter metershoge hagen. Zodat insluipers ongezien verstoppertje kunnen spelen. Waarvoor we elkaar dan weer waarschuwen via onze wijk-App. Want je ziet zó wie hier niet thuis hoort: met zo’n gedeukt busje, zo’n sweater met een capuchon over zijn hoofd, zo’n zwartleren jack van 13-in-een-dozijn…
Slechts een enkeling ervaart ons leven om de hoek van de grote stad als een jungle. Dat zijn de jeeprijders van onze wijk. Slechts een enkeling is in staat om zijn verzakte tegelpad eigenhandig recht te leggen. De anderen huren daarvoor mannen van buiten de wijk in, die gewend zijn om met hun handen te werken.
Wij werken vooral met ons hoofd. Wij hebben goed gevulde boekenkasten. En echte kunst aan de muur. Piano’s en muziekstandaards in onze woonkamers. Goed zichtbaar voor wie in de schemer door de verlichte ramen naar binnen gluurt. En onze wijkstraten staan opvallend veel Volvo’s V70 geparkeerd. Beschaafd en tweedehands (dat dan weer wel).
Zo’n wijk dus…